De bestaande wetgeving terzake van de aanhouding van deserteurs wordt vernieuwd en verzwaard. Onder verwijzing naar (? 1722-08-02)wordt bepaald dat lokale overheden soldaten die niet zijn voorzien van een geldig paspoort dienen aan te houden en overleveren aan het naaste regiment of garnizoen. Indien door het garnizoen bekend is gemaakt, dat er een soldaat is gedeserteerd, moeten burgers en boeren worden gealarmeerd met de brandklok. Zij dienen de passages te bewaken en pogingen te ondernemen om de desterteur aan te houden. Indien zij daarin slagen ontvangen zij een beloning van twaalf rijksdaalders ten laste van de lokale accijnzen, te verrekenen met de Generale Krijgskas. Indien de lokale overheid nalatig is kan een boete van honderd rijksdaalders ten behoeve van de Poenaal-Kasse worden opgelegd. Verantwoordelijke Landraden of onderheren betalen het dubbele. Indien de lokale overheid armlastig is, is men geen geldboete verschuldigd, maar worden twee (in dorpen), resp. acht (in steden) van de aanzienlijkste ingezetenen gedurende twee maanden "met de karre" gestraft.