(? 1719-11-13), (? 1720-12-10), (? 1725-01-21), (? 1733-09-30), (? 1737-01-030, (? 1738-09-09) en (? 1748-04-28) ten vervolge, constateert de koning, dat de afgekondigde maatregelen tegen bedeljoden onvoldoende gevolg sorteren. Bepaald wordt dat te voet reizende joden aan de grenzen dienen te worden tegen gehouden. Een uitzondering wordt gemaakt voor joden die een handelsconcessie hebben ontvangen van het Landes Admiistrations Collegium te Geldern, alsmede degenen die onderweg zijn naar de Frankfurter Messe of over meer dan 50 rijksdaalders aan baar geld beschikken, dan wel kunnen aan tonen, dat zij in andere Pruisische provincies bescherming genieten. De verordeningen bevat voorschriften voor gerechtelijke overheden, tollenaars, schouten en dorpsgerichten, poortschrijvers, gerechtsdienaren etc. in het kader van de bestrijding van overlast door joden zonder middelen van bestaan.