(?1786-06-16) ten vervolge, verklaart Zijne Majesteit, dat beneficiën belast met zielzorg alleen vergeven mogen worden aan kandidaten der eerste klasse, die permissie hebben van de diocesane bisschop. In geval het patronaat aan de kerk toekomt, mag de bisschop drie geschikte personen voordragen. Indien de bevoegdheid tot het begeven van de prebende de keizer toekomt, hoeven de bischoppen "eerste klassers", die zij ondanks hun slagen voor het vergelijkend examen ongeschikt achten, niet voor te dragen. Het is verboden geestelijken reeds voor het concours een pastoorsprebende te beloven. Een dergelijke belofte sluit hen van benoeming uit. Ook voormalige jezuieten en leden van opgeheven ordes hebben krachtens (?1775-09-02) toegang tot de vergelijkende examens. Reguliere pastorijen zullen worden begeven op dezelfde voet als voorheen, zij het dat de te benoemen kandidaat een "eerste klasser" moet zijn.