De muntcirculatie wordt beperkt tot een kleine groep van gouden en zilveren munten, die koers hebben volgens het plakkaat van 3 januari 1698. De "meesters adjusteurs der gewichten, schalen ende balancen" (ijkmeesters) moeten gewichten maken om alle genoemde munten te controleren. Het in circulatie brengen van "geschroyde", "afgesoden", gerande of gesoldeerde munten, benevens het in circulatie brengen van andere muntsoorten, is op straffe van een geldboete verboden. Kleine neringdoenden zullen bij geconstateerde overtreding worden gestraft met drie maanden gedwongen winkelsluiting; groothandelaren riskeren een verbanning van één jaar. Er is een regeling voor de aansprakelijkheid voor familie en personeel. De invoer van sommige muntsoorten, met het oogmerk ze te laten ommunten, is verboden. De importeur zal worden gestraft als publieke dief. De geoorloofde invoer van ander muntmetaal is gebonden aan importverklaringen, die overgelegd moeten worden aan de ontvangers van in- en uitgaande rechten. Degene die opzettelijk te lichte munten in omloop brengt, zal als valsemunter worden gestraft "door den ketel in siedende olie ende water". De muntmeesters-generaal dienen voldoende wisselaars aan te stellen, die aan de hand van een speciale lijst alle incourante munt moeten inwisselen en door klieving ongeldig maken. Het is goud- en zilversmeden niet geoorloofd dergelijke munten op te kopen zonder machtiging van de muntmeester. De verordening behelst tenslotte overgangsbepalingen voor de betaling van schulden en dergelijke. Bij het vervolgen van muntmisdrijven dienen de officieren zich te richten naar de verordening van 20 februari 1652 (PB 3.563). Bedoeld plakkaat zal worden herdrukt.