Zijne Majesteit gelast de registratie van landerijen, molens, huizen, heerlijke rechten, renten, tienden en dergelijke, toebehorend aan de gesupprimeerde Franse kloosters en kerkelijke instellingen, voor zover in de Zuidelijke Nederlanden gelegen. Huurders, pachters en anderen die dergelijke goederen bezitten of beheren, dienen daarvan binnen vijftien dagen aangifte te doen, op straffe van een boete, waarvan de hoogte het drievoud van het jaarlijks verschuldigde bedraagt.
Ook debiteuren der kloosters en zij die gereed geld of roerende goederen van de bedoelde kloosters onder zich hebben, moeten daarvan aangifte doen. Het verrichten van betalingen vanwege deze goederen, anders dan aan 's keizers commissarissen, is verboden.