De verordening vervangt het reglement van 29 october 1620 (Recueil van Lom, fol. 339). Alle bepalingen terzake van de beloning van rechterlijke functionarissen, gemaakt in anterieure reglementen, komen te vervallen, "gelijk ook alle verteeringen eertijts tot last van partijen geplogen". Het reglement geeft een specifiek overzicht van de jura die de verschillende functionarissen voor alle mogelijke ambtshalve verrichtingen toekomen. In verschillende hoofdstukken worden de jura van scholtissen en voogden (54 artt.), schepenen in de eigen woonplaats (37 artt.), schepenen in andere plaatsen (2 artt.), secretarissen en gerechtschrijvers (41 artt.), advocaten en procureurs voor het Hof en voor de lagere gerichten, deurwaarders en boden (40 artt.) opgesomd, alsmede de jura in verband met hoofdvaart (10 artt.).Het hoofdstuk "belooningen van hooftvaarten" bevat naast tarieven, ook bepalingen terzake van de procedure. Zo wordt bepaald, hoe in het geval van hoofdlering de stukken moeten worden overgezonden, evenals de maximale tijdsduur die mag verlopen tussen het moment dat de subalterne rechters "hun niet wijs genoech en vonden om vonnis te geven" en het overzenden der procesakten. Zijne Majesteit verbiedt dat men ingezetenen van het_Overkwartier die buiten hun domicilie procederen met dubbele jura zou belasten, zoals men gewend is ten aanzien van vreemdelingen te doen. Als controlemaatregel wordt bepaald, dat elke functionaris op de stukken moet aantekenen hoeveel hem voor elke handeling toekomt. Deze declaratie moet door hem zelf worden geparafeerd.