De Koninklijke commissarissen tot in bezitname van het Pruisisch Overkwartier maken bekend dat bij de Vrede van Utrecht de stad Geldern, alsmede de steden, ambten en heerlijkheden Straelen, Wachtendonck, Middelaar, Walbeck, Arcen, Afferden, Well, Ray en Klein-Kevelaer, alsmede Krieckenbeck en het land en ambt van Kessel aan de koning van Pruisen zijn afgestaan. De ingezetenen, alsmede de geestelijke en wereldlijke vazallen dienen voortaan enkel het gezag van de Pruisische koning te erkennen en aan zijn geboden en verboden te gehoorzamen. Alle landsheerlijke inkomsten en belastingen dienen voortaan aan hem te worden afgedragen. De Pruisische koning belooft zijnerzijds de rechten en privileges van zijn nieuwe onderdanen te zullen handhaven.