Het diploma regelt de samenvoeging van het Hof van Gelre en de magistraat van Roermond tot één lichaam met bestuurlijke, rechterlijke en financiële bevoegdheden, onder de naam van Provinciale Raad van het Hertogdom Gelre. De Provinciale Raad zal bestaan uit een kanselier, twee raden costumier en zeven gegradueerde raden. De Raad zal zitting houden in twee kamers. De eerste kamer, gevormd door de kanselier, de oudste costumiere raad, de twee oudste raden-ordinaris en de raad-fiscaal of momber, is competent voor de bestuurlijke en rechterlijke zaken die voorheen door het Hof werden behandeld. Bovendien is de Raad bevoegd in die zaken waarbij de tweede kamer, als opvolger van de magistraat, partij is. De eerste kamer spreekt recht bij arrest, zonder appèl. Revisie is slechts mogelijk "op propositie van erreur". In een dergelijk geval treden de jongste raad-costumier en vier raden-ordinaris, die niet bij de totstandkoming van het vonnis betrokken zijn geweest, op als reviseurs. Aanvulling van buitenaf is mogelijk als het belang van de zaak zulks vereist, of indien de magistraat partij in het geding is.
De tweede kamer vervult de taken die van oudsher aan de magistraat van Roermond en het Hoofdgerecht waren toevertrouwd. Jaarlijks wordt door de voltallige raad een voordracht van drie opgemaakt uit de zes raden ordinaris de raad en momber is van de verkiezing uitgesloten waarvan één door de keizer tot burgemeester zal worden benoemd. De tweede kamer bestaat verder uit de jongste raad-costumier en de drie jongste raden-ordinaris.
Voor zover appèl van magistraatsbeslissingen van oudsher mogelijk was, kan men thans in beroep gaan bij de kanselier en andere niet-betrokken raden. De tweede kamer onder leiding van de burgemeester is belast met de "politie" (taken van bestuur) en het beheer van de openbare (stads-) middelen. De kamers vergaderen gezamenlijk, indien de aard der problemen dat vereist.
Beide kamers beschikken over een eigen griffier; het overige personeel bestaat uit de ontvanger en vier deurwaarders. Er is een afvloeiingsregeling getroffen voor de door de reorganisatie overbodig geworden raden en schepenen. De ontvanger van de Provinciale Raad moet jaarlijks een bedrag ter grootte van de uitgespaarde salarissen van de voormalige magistraat, secretarissen, ontvangers en deurwaarders van de stad Roermond betalen aan de ontvanger-generaal van het Overkwartier.
Indien men binnen het Oostenrijks Overkwartier geen gequalificeerde edelen kan vinden om een vacante plaats van raad costumier op te vullen, dan mag men edelen uit de "gedemembreerde" delen van het Overkwartier daartoe aanzoeken. De Provinciale Raad krijgt het recht van voordracht op dezelfde voet als reeds bij patent van 12 september 1736 (ROPBa 3.5.119) werd toegestaan aan de provinciale hoven van Brabant, Luxemburg, Vlaanderen en Namen. Zijne Majesteit behoudt zich het recht voor om de verordening naar believen aan te passen en te wijzigen.