Op grond van het edict van 17 september 1484 verbiedt Joseph II de Heilige Stoel of de Nunciatuur de "provisie" van beneficiën, krachtens "reserve" of "devolutie". Dit verbod geldt niet voor bisschoppelijke beneficiën. De "reserven", voorgeschreven door de Apostolische Kanselarij, zullen, evenmin als de pauselijke decreten, indulten en concordaten terzake, ongeacht het eenmaal verworven placet, worden gerespecteerd, ook niet waar het de Universiteit van Leuven betreft.
Indien een beneficie voortaan niet binnen zes maanden door de eigenlijke collator is begeven, "devolveert" het benoemingsrecht op het Gouvernement-Generaal. "Resignatie" ten gunste van vrienden of verwanten wordt verboden. Voor "permutatie" van beneficiën is toestemming van de regering vereist. Deze toestemming zal slechts worden verleend, indien de bisschop verklaart, dat de ruiling in het belang van kerk en staat is.
Hoger beroep van vonnissen door kerkelijke rechters gewezen wordt verboden, indien het vonnis in tweede instantie gelijk is aan het vonnis dat in eerste instantie was gewezen. In het geval er sprake is van discrepantie, dan mag in derde instantie worden geprocedeerd. De rechtspleging in tweede instantie wordt voorbehouden aan de diocesane bisschop; in derde instantie treedt de metropolitane bisschop als rechter op. De nuntius heeft geen jurisdictie meer. Delegatie van synodale rechters wordt verboden.