Search results
2,905 items
-
Alle handel met Frankrijk, zowel import als export, wordt verboden. Uitvoer van krijgsvoorraad zal als hoogverraad met de dood worden gestraft. Dezelfde straf riskeren zij, die zonder toestemming van het "departement militair" krijgsvoorraad vervoeren binnen één mijl van de grenzen. Uitvoer van levensmiddelen, paarden en dergelijke wordt gestraft met levenslange gevangenisstraf. In lichte gevallen kan de strafmaat tot minimaal één jaar worden verminderd. De uitvoer van andere goederen wordt gestraft met confiscatie en een boete ten belope van vier maal de waarde. Postverkeer met Frankrijk wordt verboden op straffe van driehonderd gulden boete of arbitraire straffen. De straffen zijn uitvoerbaar ten opzichte van de onderdanen van Zijne Majesteit en vreemdelingen. De opbrengst van de boetes moet gelijk worden verdeeld tussen de aanbrenger en de exploterende officier.
-
De onderdanen van Catharina II kunnen in de landen van Joseph II aanspraak maken op de voordelen, verbonden aan de status van meest begunstigde natie. Zij genieten er vrijheid van geweten, een gunstig douanetarief en handelsvrijheid. Een speciaal tarief wordt ingesteld voor de invoer van juchtleer, pelterijen en kaviaar. Voor import via de Donau of via de vrijhavens van Triëst en Fiume geldt een verlaagd tarief. De Russische scheepvaart kan in geval van averij gebruik maken van Oostenrijkse havens. Het is niet mogelijk zonder meer beslag te leggen op Russische handels- of oorlogsschepen. Vorderingen tegen de eigenaars of vervolging wegens delicten van de opvarenden zijn onderworpen aan 's lands wetten. Volgens het systeem van gewapende neutraliteit blijft in geval van oorlog met andere mogendheden de Russische handel onverlet. Regels worden gegeven voor het onderzoek naar contrabande. Tevens wordt vastgelegd wat in het kader van de Russisch-Oostenrijkse betrekkingen onder contrabande moet worden verstaan. Het edict regelt de bevoegdheden van Russische consulaire vertegenwoordigers en de wijze waarop curatoren dienen te worden aangesteld, indien een Russisch onderdaan bankroet gaat. Russische onderdanen kunnen alom onroerend goed kopen, verkopen of huren en verhuren, binnen de grenzen daaraan door de stedelijke privileges gesteld. Bij hun remigratie hebben zij recht op vrij transport van hun goederen, op voorwaarde dat hun schulden zijn vereffend. Hetzelfde geldt ten aanzien van het transport van erfenissen. Indien er oorlog uitbreekt tussen Oostenrijk en Rusland, dan zal men aan de Russische onderdanen het nodige respijt laten om zich uit de landen van Zijne Majesteit terug te trekken.
-
(?1787-01-01_2) ten vervolge, maakt Joseph II vanuit zijn "sekere wetenschap, volle macht ende koninklijcke autoriteyt" met één pennestreek heel de historisch gegroeide rechterlijke organisatie der Nederlandse gewesten ongedaan, als zijnde ongeschikt om (?1786-11-03) ten uitvoer te leggen. Hiervoor in de plaats komen drie graden van jurisdictie: van eerste instantie, appèl en revisie. Als rechtbank van laatste instantie (graad van revisie) fungeert de Soevereine Raad van Justitie te Brussel. Deze raad oefent het toezicht op alle rechters van eerste en tweede instantie. Tevens worden twee rechtbanken in de graad van appèl ingesteld. Een te Brussel, competent voor Brabant, Limburg, Gelre, Vlaanderen, Henegouwen, Namen, Doornik en het Doornikse en Mechelen; de ander te Luxemburg, bevoegd voor het gelijknamig gewest. De rechters in eerste instantie dienen zich met de nodige deferentie te voegen naar de bevelen van de rechters in tweede instantie. Met ingang van 1 mei 1787 houden alle heerlijke rechtbanken op te functioneren. Hun bevoegdheden in contentieuze zaken worden overgedragen aan de Tribunalen van eerste instantie. Bepalingen van transitoir recht worden gemaakt, om het functioneren van de rechtspleging in eerste aanleg mogelijk te maken, zolang de ressorten van de nieuwe tribunalen nog niet precies zijn gedefinieerd. Eveneens met ingang van 1 mei houden de rechters van domeinen, in- en uitgaande rechten, de tolkamers, gedelegeerde rechters en wat dies meer zij, op te functioneren. Een uitzondering wordt gemaakt voor de militaire rechters. Het reglement behelst instructies met betrekking tot de samenstelling van de rechtbanken, de benoembaarheid en de aanstelling van rechters en personeel en ten aanzien van het functioneren van de advocaten (regeling van kosteloze rechtsbijstand). Bepalingen van transitoir recht worden gemaakt ten aanzien van de criminele rechtspleging. De tortuur wordt afgeschaft. De rechterlijke officieren dienen vooralsnog te blijven waken over de publieke veiligheid. Op hen rust de taak om delinquenten en vagebonden aan te houden.
-
(?1787-01-01_1) art. 6 ten vervolge, worden de Nederlanden verdeeld in negen kreitsen, elk onder bestuur van een intendant, tevens raadsheer van het gouvernement. De intendant vertegenwoordigt er het gouvernement, dat hij bijstaat in zaken van openbaar bestuur. De kreitsen worden onderverdeeld in districten, bestuurd door een Commissaris der Intendentie. Het Oostenrijks Overkwartier wordt ingedeeld bij de Limburgse Kreits. De intendanten worden belast met het openbaar bestuur van politie en financiën. De magistraten, officieren der (onder-)heerlijkheden, beambten van domeinen en financiën, die van de Religiekas en de beambten der provinciën, steden en gemeenten zijn aan hen gehoorzaamheid en verantwoording schuldig. De intendanten hebben de bevoegdheid om verordeningen te maken. Zij hebben geen rechtsmacht in contentieuze zaken. Ter bescherming van de onderdanen beschikken zij over het "provisorium momentaneum" of het "possessorium summarissimum". Op grond van deze bevoegdheid kunnen zij iemand die gewelddadig in zijn bezit gestoord is (spolie) voorlopig in het bezit van zijn goederen herstellen. Dergelijke beschikkingen houden stand, totdat de competente rechter uitspraak heeft gedaan ten petitoire. De intendanten worden belast met de publicatie der wetten. De ambten der hoofdofficieren worden afgeschaft. Meiers, drosten en anderen behouden slechts hun titel.
-
Het plakkaat van 29 november 1749 (?1760-07-09) wordt opnieuw gepubliceerd. De strafmaat wordt echter verzwaard. Overtreders van de verordening riskeren voortaan elk voor zich een boete van driehonderd dukaten.
-
De verordening regelt de introductie van nieuwe keizerlijke dukaten en patakons van de slag en beeldenaar van Joseph II. Tevens worden voortaan overeenkomstige munten met de beeltenis van Onze Lieve Vrouw, geslagen te Kremnitz, tot wettig betaalmiddel in de Nederlanden verklaard. De remedie van deze munten wordt gereguleerd op voet van (?1749-09-19_1). Voor zover deze munten in Luxemburg in omloop zijn, geldt een aparte wisselkoers.
-
Joseph II bepaalt dat onderofficieren en soldaten in dienst van vreemde mogendheden zich zonder speciale permissie niet mogen ophouden in de Oostenrijkse Nederlanden, op straffe als bedreigd in (?1751-05-11). Op deze algemene regel zijn drie uitzonderingen mogelijk. Indien de aangehouden buitenlandse militair een onderdaan blijkt te zijn van Zijne Majesteit, die zich in vreemde krijgsdienst heeft begeven, dan wacht hem bestraffing conform (?1738-07-31_1). Indien het een deserteur blijkt te zijn uit het leger van een der mogendheden, waarmee een kartel tot uitlevering van deserteurs is gesloten, dan moet hij worden uitgeleverd. Indien het een gewone militair betreft, dan moet hij worden overgedragen aan het Departement Militair, dat hem voor de keuze zal stellen tussen dienst nemen in de legers van Zijne Majesteit, of vervolgd worden krachtens (?1765-12-14). Nalatige rechterlijke officieren riskeren minimaal vijftig patakons boete.
-
Functionarissen die deel uitmaken van de regeringsraden, provinciale hoven of stedelijke regeringen mogen voor hun ambtshalve verrichtingen geen vergoeding ontvangen onder het mom van "erkentelijkheden", op straffe van boete en ontzetting uit hun ambt. Ook degene die de erkentelijkheid offreert riskeert een boete. Het omkopen van een collator van functies met het oogmerk een functie te verwerven, maakt degene die zich aan een dergelijk vergrijp heeft schuldig gemaakt inhabiel om nog ooit enig ambt te bekleden. Agenten, advocaten en procureurs die zich voor dergelijke machinaties lenen, zullen van hun bedieningen gesuspendeerd worden. ( 1746-01-12) blijft onverminderd van kracht.
-
Kooplieden en transporteurs van goederen te water en te land moeten aangifte doen van de door hen ingevoerde waren bij het eerste kantoor van in- en uitgaande rechten dat zij tegenkomen. Zij moeten zich aldaar tegen betaling van rechten voorzien van depêches, sauvegardes of "acquitten & caution", waarin wordt vermeld wie, welke goederen, hoeveel ervan, langs welke weg, van welke plaats, naar welke bestemming wenst te vervoeren. Het is verboden 's nachts goederen in te voeren. De verordening behelst straffen voor onjuiste, onvolledige of niet-aangifte van goederen, het vervoer naar afwijkende bestemmingen, tijdsoverschrijding en dergelijke. Het vervoer van goederen met andere acquitten dan de bijbehorende is niet geoorloofd. Acquitten mogen niet van de goederen worden gescheiden. Inwoners van het platteland hoeven zich niet van acquitten te voorzien, indien zij goederen voor eigen gebruik vervoeren. Een attest van de wethouders of van de pastoor met een geldigheidsduur van één jaar volstaat. Zowel kooplieden, facteurs, agenten als voerlieden, zijn elk voor zich aansprakelijk voor het betalen der invoerrechten. Hare Majesteits officieren kunnen hen naar believen dagvaarden, zonder dat dagvaarding van één van hen vrijwaring van de anderen impliceert. Vervolging kan tot twee jaar na dato van het delict worden ingesteld. Indien een overtreding strafbaar is met een boete, dan mag de overtreder, indien het delict vaststaat, worden vastgehouden totdat hij voldoende borg heeft gesteld. Insolvente en trage betalers riskeren gevangenisstraf op water en brood gedurende zes weken; deze straf kan bij recidive verlengd worden tot drie maanden; als laatste stok achter de deur wacht tenslotte verbanning. In dergelijke gevallen moeten de rechters van in- en uitgaande rechten een afschrift van het vonnis ter beschikking stellen van de raad-fiscaal, die de straf ten uitvoer zal doen leggen. Gewelddadig en gewapend verzet tegen de commiezen en gardes van in- en uitgaande rechten wordt met de dood gestraft. "Attrouppement" zonder wapens is strafbaar met geseling op het schavot en een brandmerk. Rechterlijke officieren en wethouders moeten de employés van in- en uitgaande rechten desgevraagd bijstaan en ze hun gevangenis ter beschikking stellen, op straffe van persoonlijk aansprakelijk te worden gesteld voor eventuele schade. Bij herhaalde nalatigheid verliezen zij hun functie. De nakoming van contracten, gesloten tussen kooplieden en voerlieden, waarbij wordt overeengekomen om goederen zonder betaling van rechten te vervoeren, is niet in rechte afdwingbaar. Tenslotte voorziet de verordening in straffen voor ambtsmisdrijven van ontvangers, commiezen en gardes van in- en uitgaande rechten en voor het vervalsen van zegels en merktekens. Om de noodzaak tot frauderen te verkleinen, worden de wethouders aangespoord om de employés van in- en uitgaande rechten passende huisvesting te bieden tegen een schappelijke prijs.
-
Zijne Majesteit verklaart dat combinaties van twee pastorale beneficiën, of van een pastoraal beneficie met een beneficium simplex, waaraan residentieplicht is verbonden, of van een pastoraal beneficie en een kerkelijk ambt, onverenigbaar zijn. Combinaties van "enkele" beneficiën, een pastoraal beneficie en een simpel beneficie zonder residentieplicht en van simpele beneficiën en kerkelijke ambten zijn wel toelaatbaar. Beneficiën die in niet geoorloofde vorm gecombineerd zijn moeten worden afgestaan.
-
Joseph II besluit "door Onse sekere wetentheyt, volkomene macht ende souvereyne autoriteyt" tot de opheffing der "onnutte" kloosters en besteding van hun goederen en inkomsten voor de zielzorg en andere door hem als nuttig te bestempelen doeleinden. Als "onnut" worden aangemerkt alle contemplatieve ordes. De betrokken geestelijken dienen onvoorwaardelijk te gehoorzamen aan de commissarissen aan wie de uitvoering van het edict is toevertrouwd. Er worden voorzieningen getroffen voor het onderhoud van de geseculariseerde kloosterlingen. Een zgn. "Religiekasse" wordt ingesteld. Religieuzen die tot de burgerlijke staat terugkeren blijft echter het genot van de burgerlijke effecten ontzegd. Zij kunnen zich, zij het niet krachtens intestaat erfrecht, lijf- of erfrenten verwerven, zonder echter het kapitaal van de rente, of grond in eigendom te kunnen bezitten. Van de verwerving van renten moeten zij aangifte doen bij de raden-fiscaal op straffe van confiscatie. De geseculariseerde kloosterlingen zijn wel bekwaam om alle soorten van beneficiën en geestelijke ambten te verwerven.
-
Zijne Majesteit gelast de opheffing van alle liefdadige broederschappen in de Nederlanden. Elke broederschap dient een inventaris op te maken van alle activa en passiva, vorderingen en schulden. Deze inventaris dient als richtsnoer voor de comités, te vormen door de hoofdofficier, een burgemeester en griffier van elke plaats, die tijdelijk worden belast met het beheer van de middelen, totdat ter plaatse een broederschap van "De werkende Liefde van den Evennaasten" zal zijn opgericht. De nieuw op te richten broederschap zal onder het geestelijk toezicht staan van de diocesane bisschop. De statuten van de broederschap zijn door de regering vastgesteld en zullen aan de bisschoppen ter hand worden gesteld. Nalatigheid in het liquideren van de oude broederschappen en het verzwijgen of vervreemden van inkomsten en eigendommen wordt met een boete gestraft. Een formulier voor het inventariseren van goederen en inkomsten is bijgevoegd.
-
(?1786-10-16) ten vervolge, wordt het de bisschoppen weer vergund er zelf een seminarie op na te houden. Men dient er zich wel voor te hoeden in de seminaries iets te onderrichten dat strijdig is met de rechten van Zijne Majesteit, de gebruiken van het land of de vrijheden der Nederlandse kerk. Het onderwijs in de wijsbegeerte en godgeleerdheid in abdijen en kloosters blijft verboden. Geestelijken mogen niet tot priester gewijd worden, tenzij ze de "gereguleerde cours van theologie" aan een der seminaries hebben gevolgd. Het bepaalde ten aanzien van de beurzen bestemd voor de studenten aan de Leuvense colleges blijft van kracht. Ten aanzien van de beurzen bestemd voor de studenten der bisschoppelijke seminaries wordt de status quo ante hersteld. Art. 5 van (? 1783-11-24) terzake van de bisschoppelijke jurisdictie wordt herroepen. Het privilege van nominatie van de Universiteit van Leuven en de artesfaculteit aldaar wordt hersteld op de oude voet. (?1786-10-16) komt te vervallen, voor zover het edict niet nadrukkelijk is bevestigd.
-
Beëdigde ontvangers, die publieke penningen verduisteren, kunnen wegens als meinedig te kwalificeren diefstal met de dood worden gestraft. Strafvermindering kan worden verleend bij restitutie van de verduisterde gelden of indien de omvang van de verduistering gering is. Als "publieke penningen" moeten worden aangemerkt, naast de inkomsten der domeinen, beden en subsidiën, gemeentelijke inkomsten en dergelijke, ook die der kerken, gasthuizen en andere fundaties.
-
Ronselaars van vreemde herkomst zullen, indien het feit van hun uitheemsheid notoir is, door de militaire justitie summier worden berecht. Zij worden in dat geval aan de jurisdictie van de burgerlijke rechter onttrokken. Onderdanen van Zijne Majesteit die als ronselaar voor vreemde mogendheden optreden, zullen door de burgerlijke rechter summier en de plano worden berecht. Omdat de doodstraf aan ronselaars eerder uit overwegingen van staatsveiligheid wordt opgelegd dan als straf, moet het vonnis zo snel mogelijk ten uitvoer worden gelegd. Slechts de meest essentiële maatregelen moeten worden genomen om de dood van onschuldigen te vermijden.
-
Wegens de schade die zij toebrengen aan het gewas, moeten alle wilde zwijnen voor het einde van december worden opgesloten in perken of worden gedood door degenen die recht hebben om op grof wild te jagen. Nadien zullen zij worden afgemaakt door daartoe door de wethouders aan te wijzen jagers. Het vlees van de zwijnen zal in het openbaar worden verkocht aan de meestbiedende, zulks ter bestrijding van de kosten.
-
Militairen, die door hun rechters schuldig worden bevonden aan desertie, zullen niet alleen hun terechte straf moeten ondergaan, maar bovendien ook nog gehouden zijn tot schadevergoeding aan hun regiment. De raden-fiscaal worden belast met het vorderen van de schadevergoeding, die executabel is krachtens het onderhavige edict. De revenuen moeten worden gestort in de Militaire Kas. Om dit schadeverhaal mogelijk te maken wordt het militairen verboden om zonder toestemming van hun regiment bij akte inter vivos te beschikken over hun goederen. Deserteurs worden beroofd van hun erfrecht. Het edict bedreigt straffen tegen het verbergen en helpen van deserteurs. Het hinderen van opsporingsdetachementen, het verwekken van oproer, of het verwonden van militairen wordt gestraft met de dood. Voor mindere delicten riskeert men tuchthuis of gevangenisstraf. Bloedverwanten die militairen verbergen kunnen echter met meer mildheid worden behandeld. Er worden straffen gesteld op het aankopen van de uitrusting van deserteurs en het verschaffen van burgerkleding. Deserteurs die worden opgebracht door de wachtpatrouilles ten plattelande, of worden overgeleverd door hun ouders, zullen in geen geval met de dood worden gestraft: hun wacht "een enckele kasteydinge van het regiment". De verordening vervangt alle oudere wetten terzake, met uitzondering van (?1738-07-31) en (?1749-07-26) voor zover die althans niet door de onderhavige verordening zijn gewijzigd en moet samen met die verordeningen jaarlijks binnen vijftien dagen na Pasen opnieuw worden gepubliceerd.
-
Het Eeuwig Edict van 12 juli 1611 (PV 2.753) en (?1754-03-06) ten vervolge, geeft Hare Majesteit voorschriften aan de pastoors en andere geestelijken met betrekking tot de formaliteiten die in acht genomen moeten worden bij de registratie van normale dopen, "versekeringe" (nooddopen), huwelijken en begrafenissen. Met ingang van januari 1780 moet elke pastoor een exemplaar van zijn in tweevoud bijgehouden registers opsturen naar het provinciaal hof. Zij ontvangen daarvoor een vergoeding "op den voet van den binne-kosten". De griffier verstrekt in februari een overzicht van de ingekomen registers aan de momber. Bij het indienen van de registers over 1779 moeten de pastoors een overzicht geven van de doop-, trouw- en begrafenisregisters die zij onder hun berusting hebben. Ook dekens van kapittels, aartspriesters en andere geestelijken met recht van begrafenis moeten zich aan deze verordening conformeren. Een exemplaar van de verordening moet in elke sacristie worden aangeplakt.
-
Zijne Majesteit bepaalt dat pastorale beneficiën voortaan alleen aan geestelijken van gebleken geschiktheid zullen worden gegeven. Twee maal per jaar dient een "concours" te worden gehouden om aspirantpastoors in de gelegenheid te stellen van hun bekwaamheden blijk te geven. De wet bevat een instructie voor de examinatoren en het formulier dat gebruikt moet worden voor het vastleggen van hun bevindingen. De examinatoren rapporteren aan het Gouvernement-Generaal. Geestelijken die op grond van de behaalde resultaten in de eerste (van drie) klassen zijn ingedeeld, kunnen zich zodra een pastoraal beneficie vacant raakt tot de bisschop wenden. De diocesane bisschop moet de ingekomen requesten doorsturen naar het gouvernement, indien het beneficie ter collatie van Zijne Majesteit is. De plaatsen van onderpastoors worden voor wat de wet betreft aan pastoorsplaatsen gelijk gesteld. Het zal de aspiranten tot aanbeveling strekken, als zij zich beijveren "tot onderhoudinge van onse wetthen..., tot d'afschaffinge des naedeelige misbruycken en tot voortgank van eenen suyveren en redelycken godsdienst".
-
Alle religieuze gemeenschappen en kloosters in de Zuidelijke Nederlanden, die zijn onderworpen aan het gezag van buitenlandse generale oversten, worden daarvan losgemaakt. De kloosterlingen mogen niet langer gehoor geven aan mandementen van buitenlandse visitatoren, correctoren en andere kerkelijke commissarissen. De besluiten van buitenlandse congregaties hebben er geen gelding. Het edict schrijft de vorming van nationale congregaties voor aan ordes, die niet rechtstreeks onderworpen zijn aan het gezag der diocesane bisschoppen. Regels worden gegeven voor de inrichting van dergelijke congregaties. Er dienen vierjaarlijks generale vergaderingen te worden gehouden door elke congregatie, ter verkiezing van een visitator-generaal, vice-visitator en vier consultatores, die belast worden met de dagelijkse leiding van de congregatie. De aldus gevormde nationale congregaties worden voor wat de geestelijke discipline betreft gesteld onder de bisschoppelijke jurisdictie. De bisschoppen hebben inzage in de besluiten van de congregaties en mogen in overleg met de visitatoren de conventen visiteren. De oversten moeten zich richten naar de adviezen der bisschoppen; de provinciale hoven van justitie zullen de bisschoppen desgewenst bijstand verlenen. Indien er van een orde maar twee kloosters in de Nederlanden gelegen zijn, hoeven zij geen congregatie te vormen. Zij worden, evenals vrouwenconventen die geen deel uitmaken van een orde, rechtstreeks onder het gezag van de bisschop gesteld. De kloostergemeenschappen in de Zuidelijke Nederlanden mogen geen gelden overmaken naar het buitenland, op straffe van een boete van tienmaal het betaalde bedrag. Elke orde dient zich binnenlands te voorzien van de brevieren, missalen, koorboeken, regels en statuten die zij voor hun devoties behoeven, op straffe van tweeduizend guldens boete.
-
Om (?1786-05-22) en (?1786-05-27) uitvoerbaar te maken, wordt een formulier voorgeschreven voor de inventarisatie van kerkelijke goederen, beneficiën, officiën en fundaties. De formulieren moeten binnen twee maanden worden ingevuld aan de hand van bijgaande instructie.
-
Het edict beoogt een systematisch overzicht te zijn van het huwelijksrecht. Het huwelijk dient te worden beschouwd als een contract civiel, vallend onder de competentie van de burgerlijke rechter. De geestelijke rechter mag derhalve geen kennis nemen van kwesties terzake van de geldigheid van huwelijken, wettigheid van kinderen, van huwelijksbeloften en wat dies meer zij. Het edict geeft een opsomming van omstandigheden die een onvermogen met zich meebrengen om een huwelijk te sluiten: minderjarigheid, reeds gehuwd zijn (bigamie), bepaalde graden van bloed- en aanverwantschap (ongeacht de vraag of de verwanten uit wettige dan wel onwettige band zijn gesproten) en de militaire of geestelijke staat. Militairen moeten voor het aangaan van een huwelijk toestemming hebben van hun commandant, minderjarigen van hun ouders of voogd. Indien er sprake is van herhaaldelijke en onredelijke weigering kunnen zij de burgerlijke rechter inschakelen. Gemengde huwelijken zijn verboden. Het huwelijk wordt in persoon of bij procuratie aangegaan. Vrijwillig consent van partijen is vereist. Ergo, iemand die niet over zijn geestelijke vermogens beschikt, kan niet trouwen. Evenmin kunnen een huwelijk aangaan: overspeligen en personen die elkaars partner doden om met elkaar te kunnen huwen. Om het huwelijk geldig gesloten te laten zijn, moet het consent vrijwillig gegeven worden ten overstaan van een geestelijke en een getuige, na openbare afkondiging. Ter verkrijging van dispensatie van de huwelijksroepen kan men zich wenden tot de burgerlijke rechter. Krachtens (?1778-08-06) is de pastoor belast met de registratie van het huwelijk. Een huwelijk kan nietig worden verklaard in geval van dwaling of dwang. Indien er sprake is van "onmachtigheid" zulks te constateren met hulp van doctoren, chirurgijns en vroedvrouwen kan het huwelijk eveneens nietig worden verklaard. Het edict regelt voor katholieken de scheiding van tafel en bed, en voor niet-katholieken de absolute scheiding en de rechtsgevolgen ervan. Grond tot echtscheiding geven overspel, kwaadwillige verlating en onoverwinneljke afkeer. Alle wetten, verordeningen en gewoonten ter contrarie worden herroepen.
-
Het edict beoogt de jurisprudentie te uniformeren, die is gevolgd op de plakkaten van 28 maart 1611 (PB 1.62) en van 2 october 1613 (PV 2.37). De kosten van het herstel van kerkgebouwen en pastorieën moeten worden bestreden uit de tienden. Voor zover tienden in bezit zijn van wereldlijke personen althans, indien ze door hen zijn verworven sedert het concilie van Lateranen in 1179 en vóór de publicatie van de verordening van 1 juni 1587 (PV 2.88) moeten ook deze tiendheffers daarin bijdragen. Deze tiendheffers zullen echter eerst dan worden aangeslagen, nadat de inkomsten van de kerkfabriek reeds voor dit doel zullen zijn gebruikt. Ook houders van beneficia dragen naar rato en volgens het gemene recht bij. Indien de inkomsten uit deze bronnen niet toereikend zijn, moeten de parochianen bijdragen. Voor een dergelijke heffing moet echter octrooi worden verleend. Indien tiendheffers het oneens zijn over de onderlinge verdeling van de lasten, moeten zij hangende de oplossing van het probleem deze lasten solidair dragen. De verordeningen van 1611 en 1613 komen te vervallen. Eventuele transacties strijdig met deze onderhavige ordonnantie worden nietig verklaard, tenzij zij, zonder precedent, zijn aangegaan voor een enkel bijzonder geval, zulks ter beoordeling van de raden-fiscaal en behoudens goedkeuring van het provinciaal hof.
-
Maria Theresia verbiedt haar onderdanen om zonder speciale permissie elders dan aan de Universiteit van Leuven onderwijs in de wijsbegeerte te volgen, op straffe van boete en een verbod om ooit enige kerkelijke of wereldlijke waardigheid te bekleden, of in de medische professie werkzaam te zijn. Indien de overtreder van het verbod minderjarig is, dan worden ouders en voogden aansprakelijk gesteld. De minderjarige heeft recht op schadeverhaal jegens ouders en voogden.




















