De commandant-generaal, markies van Bedmar, beveelt de naleving van het tractaat getekend te Brussel, 18 februari 1701, door de kwartiermeester-generaal G.P. Verboom, namens de landvoogd Maximiliaan Emanuel, en Chastenet de Puyssigur, namens de hertog van Boufflers, stadhouder-generaal vanwege de Franse koning in Vlaanderen en Henegouwen. Het verdrag bepaalt, dat deserteurs uit de legers van Frankrijk en Spanje en uit die van de keurvorsten van Keulen en Beieren moeten worden aangehouden door de contracterende mogendheden. De deserteurs zullen worden overgedragen aan de naburige commandant van het leger van herkomst, in ruil voor vergoeding van de onkosten en tegen uitbetaling van een beloning. Militairen die zich reeds voor het sluiten van dit verdrag hebben verbonden tot dienst in enig leger, anders dan dat van de eigen vorst, mogen in vreemde krijgsdienst blijven, mits die vorst mede tot de contracterende mogendheden behoort. Na 18 februari 1701 mag men slechts dienst nemen in het leger van de eigen vorst.