Omdat -- niettegenstaande het uitvoerverbod van graan, zoals nog recent herhaald middels (? 1694-02-06) -- het zo winstgevend blijkt te zijn om toch graan te verkopen aan Frankrijk, dat boeren in het vorig seizoen zelfs het hun verstrekte zaaigoed hebben doorverkocht en officieren belast met de distributie ervan, het gedeeltelijk hebben verkwanseld, wordt de verstrekking van zaaigoed aan strenge regels gebonden. Zaaigoed mag slechts worden verstrekt op vertoon van een certificaat van de pastoor of hoofdofficier ter plaatse, waarin vermeld moet zijn hoeveel bunder, waar gelegen, bezaaid moet worden. Enige tijd daarna moet de boer nogmaals een certificaat overleggen, waaruit blijkt dat de akkers inderdaad zijn ingezaaid. De officieren in de ommuurde steden dienen registers bij te houden van deze verstrekkingen. Indien de landbouwer in gebreke blijft, wordt hij geacht het graan te hebben uitgevoerd, en wacht hem de doodstraf. Indien de officier nalatig is, wacht hem dezelfde straf als "fauteur" (begunstiger) van de vijand.