Hoornvee, afkomstig uit de Republiek, Staats-Vlaanderen, het Ambacht van Assenede en de Kasselrij van Oudenburg, mag niet langer in de Oostenrijkse Nederlanden worden ingevoerd, wegens een besmettelijke ziekte. Vee dat in weerwil van het verbod is ingevoerd, moet ter plaatse worden vernietigd. Dit geldt ook voor vlees en huiden van dergelijk vee. De importeurs riskeren geseling en een brandmerk; de kopers een boete van vijfentwintig patakons. Het vervoer van hoornvee wordt gebonden aan een stelsel van paspoorten en gezondheidscertificaten. De lokale wethouders mogen voor het verstrekken van dergelijke verklaringen twee stuivers rekenen. Meerdere runderen kunnen op een pas reizen, zonder prijsverhoging. De wachters van de grote wegen moeten niet-gecertificeerd vee zeer behoedzaam opbrengen. Indien de herkomst van het vee twijfelachtig blijft, vervallen de "stauwers" (drijvers) in de vermelde straffen.