• Circulaire ordonnantie ter zake van belediging

    Het Justitzcolleg verordent in opdracht van Frederik II, dat klachten wegens eenvoudige injurie mogen niet leiden tot een schriftelijke procedure. Zij moeten op voet van GLS 310, art. 5 en volgende mondeling worden afgedaan.
  • Rescript ter zake van brandpreventie

    Frederik II geeft de Commissio Regia opdracht bekend te maken, dat indien door nalatigheid van de inwoners brand veroorzaakt wordt ten plattelande, de inwoners niet hoeven te rekenen op remissie of kwijtschelding van belastingen.
  • Verordening ter zake van brandpreventie

    De Commissio Regia constateert, dat de verordeningen ter zake van brandgevaar ten plattelande, en met name het edict wegens het gevaarlijke tabaksroken niet voldonede worden nageleefd. De Commissio Regia beveelt daarom, dat voor de komende zomer bakhuizen op veilige afstand van woonhuizen moeten worden ingericht. Tevens wordt voorgeschreven, dat men in schuren en stallen van lantaarns gebruik moet maken. Alle beambten dienen erop toe te zien, dat het rookverbod wordt gerespecteerd.
  • Edict ter zake van Keur-Saksische obligaties

    De koningen van Pruisen en van Polen hebben een conventie gesloten ter zake van speculatie met Kuer-Saksische Steur-Scheine. Op grond van deze conventie gebiedt Frederik II zijn vazallen, dienaren en onderdanen aangifte te doen van Keur-Saksische obligaties die zij in bezit hebben. Zij mogen op straffe van verlies van koninklijke bescherming verder geen Kuer-Saksiche Steuer-scheine in betaling meer aannemen.
  • Verordening ter zake van de oprichting van de Berlijnse giro- en wisselbank

    Ter bevordering avn koophandel en nijverheid heeft de koning uit landsvaderlijke voorzorg besloten te Berlijn een giro en wisselbank in te richten en het reglement daarvan goed te keuren. De bij de bank ingelegde gelden worden gevrijwaard tegen inbeslagname in vredes- en oorlogstijd. Voor alle handelstransacties dient voortaan in Pruisisch bankgeld gerekend te worden. Art. 27 van de het wisselrecht (? 1751-01-30) wordt met het oog hierop aangepast.
  • Verordening ter zake van de muntcirculatie

    De Commissio Regia constateert, dat de - niet nader genoemde - recente muntverordeningen ( zie (? 1752-03-28)) in onvoldoende mate worden nageleefd. De Commissio Regia maakt daarom bekend, dat het officie fiscaal streng tegen elke overtreding zal optreden. Publieke ambtenaren dienen van elke geconsteerde overteding onmiddellijk aangifte te doen, op straffe van boete. De verordening dient aan alle geldwisselaars persoonlijk bekend gemaakt te worden.
  • Edict en reglement ter zake van het zoutwezen in Pruisisch Opper-Gelre,

    (? 1740-11-22) ten vervolge worden additionele maatregelen getroffen om ontduiking van het zoutregaal te voorkomen.
  • Verordening ter zake het houden van geërfdendagen

    Hoewel het reglement terzake van de heffing van bede en subsidie in Pruisisch Opper-Gelre (? 1718-12-06) voorschrijft, dat er in de dorpen jaarlijks een geërfdendag gehouden dient te worden in verband met het afhoren van de gemeenterekeningen en het vaststellen van de schatcedulle, blijkt dit voorschrift onvoldoende te worden nageleefd. de Commissio Regia beveelt op straffe van boete desbetreffende bepalingen nauwkeurig na te leven.
  • Edict ter zake van testamentaire beschikkingen ten gunste van geestelijken, kloosters, stiften, pieuze stichtingen en fundaties

    Naar aanleiding van misstanden in Silezië en Glatz, die ertoe leiden dat ten gevolge van makingen ten gunste van geestelijken, kloosters, stiften en vrome stichtingen kapitaal wordt onttrokken aan handel en nijverheid, worden Silezische statuten en synodale besluiten dienaangaande aafgeschaft. Daarnaast worden algemene regels voor alle Pruisische landen gesteld ten aanzien van de bevoegdheid van reguliere en seculiere geestelijken om bij testament over vermogensbestanddelen te beschikken, alsmede hun bevoegdheid om legaten te ontvangen. (Reguliere geestelijke kunnen als burgerlijke doden geen testament maken, nog als begunstigde funngeren; wel kunnen zij begunstigde zijn van een lijfrente, uit te keren door verwanten in plaats van de erfenis). Ten aanzien van personen die niet tot de geestelijke stand behoren worden voorschriften gegeven met betrekking tot de hoogte van de legaten die zij ten gunste van geestelijken, kloosters, stiften etc. kunnen nalaten.
  • Verordening ter zake van de lompenhandel

    Ter bescherming van de belangen van de lompenpachter wordt verordend, dat de ingezetenen en lompen enkel aan de pachter van de lompenhandel mogen aanbieden, op straffe van een boete van zes goudgulden.
  • Reglement ter zake van de competentieverdeling tussen de gerechten van Pruisisch Opper-Gelre in de graden van eerste aanleg, appel en revisie (Instantiereglement)

    Op verzoek van de Staten van Pruisisch Opper-Gelre besluit Frederik II dat de Codex Fridericianus aldaar niet wordt ingevoerd. Het Gelderse Land- en Stadsrecht ( GLS) blijft van kracht. Wel acht hij het noodzakelijk nieuwe voorschriften te geven voor het hoger beroep. Dit zgn. instantiereglement maakt onderscheid tussen herziening van de vonnissen van het Hof van Gelre zelf (grote revisie) en de herziening van vonnissen van subalterne schepenbanken (appel). Voor grote revisie komen in aanmerking zaken, die in eerste instantie bij uitsluiting onder de competentie van het Justizhof vallen, te weten processen over koninklijke lenen, lijfgewinsgoederen en keurmedige goederen, bezitsacties betreffende geestelijke beneficiën, rechtsvorderingen tegen edelen of koninklijke beambten, waaronder ook scholtissen, griffiers, secretarissen, burgemeesters en schepenen der steden gerekend dienen te worden. Indien men grote revisie wil instellen, dient men zich te wenden tot de (vier) revisie-commissarissen te Kleef, die na bestudering van de stukken tezamen met drie raadsheren uit het Hof van Gelre, die niet bij het te herziene vonnis betrokken waren uitspraak zullen doen. De revisie-commissie moet worden geacht niet in strijd te zijn met de constitutie ( beginsel van binnenlandse rechtspraak). Herziening vindt plaats ex iisdem actis. Ter voorkoming van nodeloze kosten is in veel gevallen het instellen van grote revisie niet toegestaan (art. 8). In geval van overtreding riskeren aanlegger en advocaat boete of gevangenisstraf. Vergelijkbare voorschriften worden gegeven ten aanzien van de herziening van vonnissen van subalterne gerechten. Bij uitzondering is het mogelijk na het instellen van appel, door het instellen van grote revisie in derde instantie te procederen. Veel aandacht wordt besteed aan de vormvereisten van de sententie, en de totstandkoming van vonnissen. De voorbereiding van het vonnis wordt toevertrouwd aan referent en coreferent. Deze moeten een relaas vervaardigen, bestaande uit facti species, genus actionis, historia processus, rationes dubitandi, rationes decidendi, dubia, votum en sententia. De kanselier dient er op toe te zien, dat de raadsheren in vrijheid hun mening kunnen geven ("vrij votum"). De raadsheren kunnen desgewenst hun afwijkende mening -- dissenting opinion -- aan het vonnis doen toevoegen. De vonnissen moeten gemotiveerd zijn (art. 18-24). Het reglement geeft verder voorschriften i.v.m. de kosten van de appel- en revisieprocedure. Bovendien worden procureurs -- als zijnde schadelijk voor het publiek -- verboden (art. 26). Alleen zeer bekwame procureurs komen eventueel voor toelating tot advocaat in aanmerking.
  • Edict ter zake van de muntcirculatie

    Ter aanvulling op (? 1750-07-14), (? 1750-11-25), (? 1751-08-09) en (? 1751-12-03) wordt een nadere toelichting gegeven over de vraag welke gouden en zilveren speciën en welke pasmunt in de Pruisische landen als wettig betaalmiddel mogen circuleren. De verordening bevat voorschriften voor de koninklijke kassen, tollen en andere ontvangers, de vermelding van courant geld in wisselbrieven en obligaties, de omzetting van schulden naar courant geld, de verplichting van bankiers, kooplieden en handelslui om transacties in courant geld te verrichten etc. In het edict is een overzicht opgenomen van courant goud- en zilver geld, alsmede van de speciën die aan de circulatie onttrokken worden. Tenslotte bevat het edict uitvoeringsmaatregelen.
  • Edict ter zake van de muntcirculatie

    In aanvulling op (? 1751-08-09), waarin is bepaald welke gouden en zilveren munten wettig betaalmiddel zijn in de Pruisische landen, worden thans voorschriften gegeven over de circulatie van pasmunt. Vreemde pasmunt mag niet in omloop worden gebracht, slechts Pruisische, Kleefse en Silezische pasmunt kan in betaling worden aangenomen. Invoer van verboden pasmunt wordt gestraft met confiscatie, tenzij zij zij bestemd zijn voor omsmelting in de koninklijke munthuizen. Het is nadrukkelijk verboden spinners, wevers, dagloners diensboden, handwerkslieden, knechten en dergelijke in verboden munt uit te betalen. Overtreding wordt gestraft met viervoudige boete.
  • Edict ter zake van Saksische obligaties

    Het edict van 30 april 1748 (? 1748-05-08) ten vervolge wordt het vebod op speculatie in obligaties ten laste van de Keur-Saksische Ober-Steuer-Casse herhaald.
  • Rescript ter zake van het wisselrecht en de muntciruclatie

    Art. 27 van het nieuwe edict ter zake van het wisselrecht(? 1751-01-30) ten vervolge, wordt bepaald, dat in Priisisch Opper-Gelre geen wissels luidende in Hollands geld mogen worden geaccepteerd, aangezien de munt te Kleef voldoende capaciteit heeft om in goed Pruisisch geld te voorzien.Een uitzondering wordt gemaakt voor de Rijn- en Maas- tollen, die nog in Hollands geld voldaan mogen worden. Het edict bevat tevens nadere voorschriften over de toepassing van (? 1750-07-14) en (? 1751-08-09).
  • Edict ter zake van de muntcirculatie

    Het muntedict (? 1750-07-14) ten vervolge, wordt bekend gemaakt, welke Duitse gouden en zilveren munten in de Pruisische landen als wettig betaalmiddel zullen worden toegelaten; daarnaast wordt voor een aantal andere muntsoorten nadrukkelijk aangegeven, dat zij niet langer in circulatie mogen worden gebracht. Deze muntsoorten kunnen ter omsmelting worden aangeboden aan de koninklijke munthuizen.
  • Edict ter zake van het studeren aan binnenlandse universiteiten, gymnasia en scholen

    (? 1749-10-14) ten vervolge, wordt opnieuw verordend, dat landskinderen enkel aan inheemse universiteiten, gymnasia en scholen mogen studeren, indien zij althans in aanmerking willen komen voor civiele of geestelijke ambten, of voor functies als kwartiermeester of auditeur. Adellijke personen die dit voorschrift in de wind slaan zullen coform (? 1748-01-16) met confiscatie van hun goederen worden gestraft. Het staats-ministerie, de landsregeringen, justitie-colleges, krieges- und Domänekammern etc. dienen op de naleving van de verordening toe te zien.
  • Verordening ter zake van het slachten van vee

    Om te voorkomen dat slachters het veelicent ontduiken, dienen zij alvorens te slachten aangifte te doen bij het licentkantoor van het district alwaar zij woonachtig zijn. Nalatigheid wordt gestraft met een boete, waarvan een derde deel voor de aanbrenger; indien er sprake is van uit het buitenland ingevoerd vee, waarover niet de vereiste rechten zijn betaald, dan wordt het desbetreffende vee geconfisqueerd.
  • Verordening ter zake van de administratie van het landlicent in Pruisisch Opper-Gelre

    De indeling van licentkantoren (? 1746-12-10) wordt met ingang van Drievuldigheidszondag 1751 aangepast. In 22 artikelen wordt omschreven welke dorpen en gehuchten tot het ressort van welk licentkantoor behoren. Licentkantoren zijn voorzien te Geldern, Straelen, Wachtendonck, Aldekerck, Tönisberg, Reurdt, Rayen, Capellen, Kevelaer, Well, Bergen. Afferden, Middelaar, Broekhuyizen, Geysteren, Venray, Horst, Helden, Kessel, Baarlo, Lobberich, Grefrath en Vierssen.
  • Verordening ter zake van het gebruik van de voorspan

    De Commissio Regia verordent, dat men voor het vervoer van recruten geen gebruik mag maken van voorspan. Recruten en hun escorte dienen te voet te reizen. Een uitzondering wordt gemaakt voor zieke recruten en indien recruten van vrouw en kinderen vergezeld gaan.
  • Vernieuwde verordening over het wisselrecht

    Ter bevordering van de handel en met het oog op een prompte justitie heeft Frederik II de verordeningen ter zake van het wisselrecht in de Pruisische landen, alsmede in Silezië en het graafschap Glatz laten doorlichten en van dubia laten ontdoen. In 71 artikelen wordt een uitvoerige regeling gegeven ter zake van het wisselrecht. De regeling gaat o.a. op de vraag welke personen aan het wisselrecht onderworpen zijn, handelingsbekwaamheid, handlichting, rechtshandelingen aangegaan door voogden en curatoren, minderjarigheid, geestelijken, vrouwen; op welke wijze men in wisselzaken dient te procederen, welke termijnen daarbij in acht genomen moeten worden, alsmede mogelijkheden voor het opwerpen van excepties; uitzonderingen voor speelschulden; hoger beroep in wisselzaken etc.
  • Edict ter zake van diefstal met geweld en straatroof

    Diefstal met geweld en straatroof gepleegd door benden of in vereniging dienen conform de criminele rechten gestraft te worden met de doodstraf, of ten minste met eeuwige vestingstraf, dan wel dwangarbied in tuchthuizen of spinhuizen.
  • Verordening ter zake van de verkoop van paardenhaar en varkenshaar

    Aangezien de handel in paardenhaar en varkensborstels per 8 september 1750 voor de duur van zes jaar verpacht is, en bovendien is bepaald, dat deze verpachting niet ten nadele mag strekken van inheemse pruikenmakers in Pruisisch Opper-Gelre, wordt aan de bedienden van het koninklijke landlicent opgedragen erop toe te zien, dat vreemde handelaren zich niet met de handel in paardenhaar en varkensborstels inlaten.
  • Edict ter zake van de bestraffing van openbare geweldpleging

    Ter bescherming van de ingezetenen, zowel in hun woningen als op de landsstraten, dient openbare geweldpleging met levenslange vestingsarbeid gestraftte worden, tenzij de omstandigheden zodanig waren dat de doodstraf de voorkeur verdient. Deze maatregel dient ervoor recidive te voorkomen. Ook moeten handlangers die op wacht stonden op deze manier worden gestraft.