• Rescript ter zake van de beëdiging van rechterlijke officieren, schepenen en secretarissen

    Conform het reglement van 19 juni 1749 (? 1749-06-19) wordt het jurisdictieheren en gerechten verboden nieuwe rechterlijke officieren en schepenen te beëdigen, alvorens zij door het Hof zijn geëxamineerd en geschikt bevonden.
  • Verordening ter zake van diefstalpreventie

    In de steden en ambten van Staelen en Wachtendonk dient regelmatig door nachtwachten gepatrouilleerd te worden. Indien deze burgerwachten onraad constateren dienen zij de verdachten aan te houden en aan de burgerlijke overheid over te dragen. De lokale beambte dient de nachtwacht regelmatig te inspecteren en van die visitatie drie maandelijks verslag te doen. Leden van de nachtwacht die zich aan hun verplichtingen onttrekken riskeren een boete van drie goudgulden. De nachtelijke patrouilles dienen de bepalingen van (? 1725-04-19) ter bestrijding van vagebonden in acht te nemen.
  • Vernieuwd edict ter zake van het studeren aan binnenlandse universiteiten

    Het edict (? 1749-10-14) wordt herhaald. Onderdanen en vasallen die in de abtelijke dienst carrière willen maken moeten zich niet alleen voor de schijn aan binnenlandse universiteiten immatriculeren, maar hun studiën aldaar ook werkelijk volbrengen. De hoogleraren dienen daarop toe te zien alvorens hen een testimonium te geven.
  • Circulaire order ter zake van de confiscatie van het vermogen van deserteurs en dienstweigeraars

    (? 1743-06-12) en (? 1749-09-24) ten vervolge worden nadere voorschriften gegeven voor de confiscatie van het vermogen van deserteurs. Deserteurs dienen alvorens hun vermogen in beslag genomen wordt eerst driemaal gedaagd te worden vooor de krijgsraad van hun regiment, alvorens zij als deserteurs worden aangemeld bij het General-Ober-Finanz-Krieges-und Domänen-Directorium en het General-Auditoriat. In het geval het recruten en pas ingelijfden betreft, deze dienen vier maal te worden geciteerd, alvorens mag worden aangenomen dat zij willens en wetens gedeserteerd zijn. Hun citatie dient niet alleen door de militaire overheid te geschieden, maar ook door de burgerlijke overheid in hun woonplaats.
  • Rescript ter zake van brandgevaar

    Alle metselaars en timmermannen moeten een eed afleggen voordat zij worden aangenomen. Zij moeten zweren nooit meer een gebouw te bouwen waarbij de balken over en onder de schoorstenen, openhaard en ventilatie openingen van de oven niet zijn weggezaagd en behoorlijk ingemetseld, waardoor het brandgevaar wordt weggenomen. Verder moeten zij zweren dat zij bij inspecties op brandgevaar op deze zaken letten en direct aangeven wanneer er sprake is van overtredingen. Op deze manier kunnen de eigenaars worden verplicht om zulke fouten te herstellen, of geen vuur meer te maken. Dit alles moet bekend worden gemaakt aan alle werkers in de bouw, alsmede aan de bouw organisaties in de steden en aan de concurrerende handwerkers op het platte land. Er moet op worden gelet dat deze bepalingen volledig worden nageleefd.
  • Verordening ter zake van de uitvoer van graan

    (? 1749-12-30) ten vervolge wordt de uitvoer van granen uit Pruisisch Gelre verboden. Ambtenaren van in- en uitgaande rechten, magistraten, schepenen en gezworenen, alsmede koninklijke tollenaars en douanebemanten dienen op de naleving van het uitvoerverbod toe te zien, op straffe van in het geval van nalatigheid zelf voor de boete ansprakelijk te zijn. Het verbod dient op de gebruikelijke wijze gepubliceerd te worden, en bovendien door de rotmeesters bekend gemaakt te worden.
  • Rescript ter zake van brandpreventie

    Alle metselaars en timmermannen moeten onder ede beloven geen gebouwen te bouwen waarbij de balken over en onder de schoorstenen, openhaard en ventilatieopeningen van de oven niet zijn weggezaagd en behoorlijk ingemetseld, waardoor het brandgevaar wordt weggenomen. Verder moeten zij zweren dat zij bij inspecties op brandgevaar op deze zaken letten en direct aangeven wanneer er sprake is van overtredingen van de bouwvoorschriften.
  • Verordening ter zake van ketellappen en koperhandel

    Op 1 juli 1749 is een contract gesloten met Peter Janssen en Henrich van Ham, wat bepaald dat van 1 januari 1750 tot het Triniteitsfeest in 1756 de koperhandel en het ketellappen aan hen verpacht is. Hen is daarbij toegezegd dat niemand gedurende deze pachtperiode mag handelen met koper of mag ketellappen zonder daarvoor behoorlijk gekwalificeerd te zijn. Verder is hen toegezegd, dat wanneer inwoners met zulke lieden handelen, koperwerk ruilen of huren of hun oud koper door hen laten lappen, hun koperwerk geconfisqueerd zal worden en zij de straffen opgelegd krijgen die zijn bepaald in (? 1739-12-10). De helft van de boete zal toekomen aan de pachters, de andere helft aan de jurisdictieheer. Indien deze nalatig blijft de boete te vorderen, mag de pachter aangifte doen bij het officie-fiscaal,in welk geval de boete toekomt aan de exploitenkas.
  • Edict ter zake van het studeren aan binnenlandse universiteiten

    Zijne majesteit constateert, dat eerdere verordeningen, die ingezetenen verplichting aan inheemse universiteiten te studeren niet voldoende worden nageleefd. Hij bepaalt daarom, dat aldegenen die in openbare dienst carrière willen maken, aan binnenlandse universiteiten dienen te studeren, en daarvan een testimonium moeten kunnen overleggen. De hoogleraren dienen erop toe te zien, dat de geïmmatriculeerde studenten zich als werkelijke studenten gedragen en hun verplichtingen nakomen.
  • Vernieuwd edict ter zake van het verstrekken van geldleningen aan personen die onder ouderlijk gezag, voogdij of curatele staan

    In het kader van de herziening van verordeningen die door zijn voorgangers zijn uitgebracht, hernieuwt Frederik II het verbod om zonder toestemming van ouder, voogd of curator, leningen te verstrekken aan minderjarigen of curandi, op straffe van confiscatie van het dubbele van de verstrekte lening. Driekwart van de boete valt toe aan het Potsdamse weeshuis, het vierde kwart is voor de denunciant.
  • Vernieuwd en verscherpt edict ter zake van de aanhouding en vervolging van deserteurs

    Geconstateerd wordt dat (? 1723-01-29), (? 1724-01-03) en (? 1726-08-05) onvoldoende effect sorteren. Daarom wordt de verplichting de paspoorten van militairen op doorreis te controleren, zoals vervat in (? 1722-08-02) en (? 1730-09-15)vernieuwd. Eenieder die wetenschap draagt van (voorgenomen) desertie dient daarvan, op straffe van lijfstraf, onmiddellijk aangifte te doen. Conform (? 1727-12-19) en (? 1738-06-28) dienen burgers en boeren zodra zij van desertie vernemen de klok te luiden en aan officieren op hun verzoek tegen contante betaling paarden voor de achtervolging ter beschikking te stellen. Indien boeren of burgers zelf deserteurs aanhouden dient aan hen een beloning te worden uitgekeerd door het regiment waartoe de deserteur behoorde. De uitgekeerde beloning wordt vervolgens met de General-Krieges-Casse verrekend. Indien ambtenaren, edellieden, burgers of boeren zich aan de opsporing van deserteurs trachten te onttrekken zullen zij worden gestraft met geldboeten of vestingstraf. Actieve hulp aan deserteurs wordt met de galg gestraft.
  • Edict ter zake van de inbeslagneming van het vermogen van deserteurs

    Onder verwijzing naar edicten van 1 maart 1706, (? 1714-05-09), (? 1718-02-19) en (? 1743-06-12)wordt nogmaals bepaald dat vazallen, landzaten en onderdanen die uit de legers van Zijne Majesteit deserteren, ipso facto hun huidige en toekomstige uit erfenis te verwachten vermogen verbeuren ten gunste van de invalidenkas. De burgerlijke en militaire overheden dienen op strikte naleving toe te zien, en ervoor zorg te dragen, dat aan deserteurs op geen enkele wijze uit het geconfisqueerde vermogen voortvloeiende revenuen of rente worden uitgekeerd.
  • Edict ter zake van het in stand houden van zelfstandige van boerenhoeven

    Zijne Majesteit verbiedt uit landsvaderlijke voorzorg adellijke vazallen, hoge en lage stiften, balies, domkapittels, kloosters, vrome stichtingen, steden en gemeenten boererijen zelf in exploitatie te nemen. Zij dienen op straffe van 100 dukaten boete vrijkomende boerderijen opnieuw met zelstandige boeren te bezetten. Dezelfde regel geldt ook voor koninklijke ambtenaren, die landerijen onder hun beheer hebben.
  • Reglement ter zake van de competentieverdeling tussen de Krieges und Domainen Cammern en Justitz-collegia c.q. Regierungen

    Het Instantiereglement regelt de de afbakening van bevoegdheden tussen rechterlijke en administratieve colleges en vervangt eerdere regelingen van 21 juni 1713 en van 25 april 1715. Als hoofdregel geldt dat justitiële aangelegenheden tot de bevoegdheid van regeringen en Justitzcollegia behoren, administratieve kwesties behoren tot de bevoegdheid van het General-directorium en van de Krieges- und Domänenkammern. Processen die private aangelegenheden en partijzaken betreffen vallen onder de bevoegdheid van de rechterlijke macht; zaken die hoofdzakelijk belastingen en domeinen betreffen, dan wel economische en politieke aangelegenheden (status oeconomicus et politicus), dan wel het algemeen belang betreffen, vallen onder het ressort van de Krieges und Domänen Cammern. Indien er sprake is van competentiegeschillen, ligt de beslissing bij de Krieges und Domänenkammern of bij het General Direktorium. Het reglement omschrijft de aangelegenheden die tot de exclusieve bevoegdheid van de Cammern dan wel van de Justitz-collegia behoren. Daarnaast bevat het reglement voorschriften met betrekking tot het procesrecht en de procesduur
  • Edict ter zake van het beheer van onroerende goederen en kapitaal van minderjarige adellijke personen

    (? 1746-07-18) waarbij adellijke persoenen op hun twintigste meerderjarig werden verklaard, is bij declaratie (? 1747-08-29) als volgt uitgelegd, dat zij pas na hun 25ste volledig over onroerend goed en kapitaal zouden mogen beschikken. Geconstateerd is echter, dat curatoren zich niet aan dit voorschrift houden. De koning verordent daarom, dat onroerend goed en kapitaal van minderjarige adellijke personen onder het beheer van curatoren en pupillen colleges dienen te blijven. De curatoren dienen jaarlijks rekening en verantwoording af te leggen over het beheer.
  • Edict ter zake van de muntcirculatie

    Het in circulatie brengen van te lichte, gesnoeide of integendeel verzwaarde dukaten wordt verboden. Knoeien met het juiste muntgewicht wordt gestraft met lijfstraffen. Indien het delict door joden gepleegd wordt, verliezen ook hun kinderen bescherming en dienen uit het land verjaagd te worden. Goud- en zilversmeden mogen op straffe van een boete van honderd dukaten geen dukaten omsmelten. De aanbrenger geniet een beloning van 20 rijksdaalders. De koninklijke kassen zullen alleen dukaten die voldoen aan het passeergewicht in betaling aannemen. Om te voorkomen, dat boeren op markten met te lichte dukaten betaald worden, dienen betalingen in andere wel betrouwbare munt te geschieden. Te lichte en verzwaarde dukaten kunnen gedurende drie maanden tegen vergoeding worden ingeleverd bij munthuizen, bij postkassen en Cammerey-cassen. Accijnzenbedienden dienen erop toe te zien dat handelaren geen lichte dukaten ter messe brengen. Indien zij constateren dat dat wel het geval is, dienen zij aangifte te doen bij de fiscus. Bankiers en joden die goede munt omzetten in lichte dukaten worden gestraft met 50 rijksdaalders boete.
  • Verordening ter zake van de muntcirculatie

    Het in omloop brengen van Keur-Beierse, Keur-Paltische, Würtembergse en Hessen-Darmstadse stukken van 2, 4, 6 en 12 kreutzer wordt wegens afwijking van de Leipziger en Torgause voet verboden, op straffe van consfiscatie en een boete van 1 rijksdaalder per stuk. Openbare kassen mogen de gewraakte stukken niet in betaling aannemen.
  • Edict ter zake van de muntcirculatie van

    Recent in omloop gebrachte gouden en zilveren munten, die sterk afwijken van de Leipziger, Torgauer en Rijksvoet mogen niet in omloop worden gebracht en dienen binnen vier maanden uitgevoerd te worden op straffe van confiscatie en een boete van een rijksdaalder per stuk.
  • Edict ter zake van Saksische obligaties

    Bij het vredestractaat van 25 december 1745 met Saksen is aan onderdanen die vorderingen hebben ten laste van de Sächsische Ober-Steuer-Casse een garantie gegeven met betrekking tot betaling van desbetreffende obligaties. Deze garantie beperkt zich tot de obligaties die zij op 25 december 1745 reeds in bezit hadden. Later verworven obligaties worden niet gegarandeerd.
  • Vernieuwd edict ter zake van de verzorging van werkelijke armen en de bestraffing en verplichte tewerkstelling van moedwillige bedelaars

    Uit landsvaderlijke voorzorg wordt (? 1725-06-21) vernieuwd. Vooropgesteld wordt dat milddadigheid jegens oprechte armen eenieder wordt aanbevolen. De landsregeringen, krieges- und domänenkkammern, stedelijke en lokale overheden dienen zorg te dragen voor de inrichtingen van armenkassen, waaruit de kosten van de armenzorg kunnen worden bestreden. Binnen zes maanden na publikatie zullen commissarissen inspecteren of bedoelde armenkassen inderdaad zijn ingericht en of de juiste boekhoudkundige maatregelen voor het beheer zijn getroffen. Bedelaars zullen niet worden geduld. Indien zij toch worden aangetroffen terwijl zij om aalmoezen vragen, dient te worden onderzocht, of de overheid in de armenzorg tekort is geschoten, of dat er sprake is van moedwillige bedelarij. In het eerste geval is de overheid aansprakelijk, in het tweede geval dient de bedelaar in een vesting of in een spinhuis te worden opgesloten. Indien zij nog in staat zijn met werken te kost te verdienen, mogen zij daaruit onder oorvede worden ontslagen, indien zij beloven voortaan weer door werken in hun onderhoud te voorzien. Bij verbreken van deze belofte zullen zij levenslang worden opgesloten en vestingarbeid moeten verrichten. Lokale overheden kunnen zich niet met een beroep op ontoereikende middelen aan hun zorgplicht voor de armen onttrekken. Zij dienen aan de inspectie lijsten te overhandigen met het aantal van te verzorgen armen, alsmede de daartoe gereserveerde geldmiddelen. De overheid dient actief te bevorderen dat degenen die tot arbeid in staat zijn niemand met bedelarij lastig vallen, maar dergelijke personen in tuchthuizen of werkhuizen opsluiten. Bejaarde en gebrekkige bedelaars daarentegen hebben recht op bijstand. De overheid dient tevens te zorgen voor wezen, alsmede voor kinderen die door hun ouders zijn verlaten. Zij dienen dergelijke kinderen op te leiden als spinsters of handwerkslieden. De lokale overheden mogen onder geen beding bedelvergunningen verstrekken. Uitheemse bedelaars dienen onmiddellijk te worden aangehouden en over de grens te worden gezet. Bij recidive dienen zij vestingarbeid te verrichten. Rondtrekkende handswerlieden mogen hun beroep uitoefenen, mits zij zich van bedelarij onthouden. Ten aanzien van zigeuners blijft de bestaande wetgeving van kracht (? 1719-11-13) (? 1720-12-10). Bedelaars die zich aan diefstal schuldig maken worden in afwijking van (?1721-07-14) met levenslange vestingarbeid gestraft wegens diefstal van meer dan tien daalders. Lokale overheden dienen bedelvoogden en armenwaxchters aan te stellen. Alle buitenlandse bedelaars dienen binnen veertien dagen na publikatie van deze verordening het land te ruimen. De lokale overheden dienen hierop streng toe te zien.
  • Rescript ter zake van de verkoop van adellijke landgoederen

    (? 1747-10-12) ten vervolge wordt bepaald, dat het doel van eerder genoemde verordening is, te voorkomen dat de verkoper de opbrengst niet heimelijk uit het land kan brengen.
  • Edict ter zake van buitenlandse reizen door adellijke vazallen en vreemde krijgsdienst

    Onder verwijzing naar eerdere circulaires verklaart de koning, dat vazallen die zich zonder zijn toestemming naar het buitenland begeven of zich in vreemde krijgsdienst begeven, ips facto hun vermogen verbeuren. Het reisverbod heeft geen betrekking op korte reizen in verband met domestieke en private aangelegenheden. De hoge en lage landscolleges en de fiscus dienen toe te zien op de naleving van de verordening.